Vocabulario
57 palabras · página 2 de 3
ophalenA2
recoger
Ik haal je om zeven uur op.
overstappenA2
hacer transbordo
In Utrecht moet je overstappen.
parkerenA2
aparcar
Hier mag je niet parkeren.
pechA2
avería; mala suerte
Ik had pech met de auto onderweg.
perronA2
andén
De trein vertrekt van perron 5.
reisA2
viaje
De reis duurt twee uur.
reisduurA2
duración del viaje
De reisduur is ongeveer 45 minuten.
reiskostenA2
gastos de viaje
De reiskosten worden vergoed.
reistijdA2
tiempo de viaje
De reistijd is ongeveer een uur.
reisverzekeringA2
seguro de viaje
Sluit een reisverzekering af voor je vakantie.
richtingA2
dirección (sentido)
Je moet de andere richting op.
rijdenA2
conducir, ir en
Hij rijdt elke dag naar zijn werk.
rotondeA2
rotonda
Neem op de rotonde de tweede afslag.
snelwegA2
autopista
Op de snelweg mag je honderd.
stationA2
estación
Het station is vlak bij mijn huis.
stoepA2
acera
Loop op de stoep, niet op het fietspad.
taxiA2
taxi
We namen een taxi naar het hotel.
tramA2
tranvía
Neem tram 4 naar het centrum.
treinA2
tren
De trein naar Amsterdam vertrekt zo.
treinkaartjeA2
billete de tren
Koop je treinkaartje van tevoren.
treinreisA2
viaje en tren
De treinreis duurt anderhalf uur.
treinstoringA2
incidencia ferroviaria
Door een treinstoring reden er geen treinen.
tunnelA2
túnel
Door de tunnel ben je er sneller.
uitstappenA2
bajar (de un vehículo)
Bij welke halte moet ik uitstappen?
veerbootA2
ferry
De veerboot vertrekt elk half uur.

