Je EigenRoute
EntrarRegistrarse

Vocabulario

77 palabras · página 1 de 4

  • alA1

    ya

    Ben je er nu al?

  • altijdA1

    siempre

    Hij komt altijd te laat.

  • aprilA1

    abril

    In april bloeien de bloemen.

  • augustusA1

    agosto

    Augustus is vaak de warmste maand.

  • avondA1

    noche (temprana)

    's Avonds kijk ik televisie.

  • dagelijksA1

    diariamente

    Ik oefen dagelijks een half uur.

  • danA1

    entonces, luego

    Eerst eten, dan afwassen.

  • datumA1

    fecha

    Wat is de datum van vandaag?

  • decemberA1

    diciembre

    In december zijn er veel feestdagen.

  • dinsdagA1

    martes

    Dinsdag heb ik een afspraak.

  • donderdagA1

    jueves

    De les is op donderdagavond.

  • eergisterenA1

    anteayer

    Eergisteren was ik bij de dokter.

  • eerstA1

    primero

    Ik ga eerst douchen.

  • februariA1

    febrero

    In februari is het meestal koud.

  • gauwA1

    pronto

    Tot gauw!

  • gisterenA1

    ayer

    Gisteren was ik ziek.

  • herfstA1

    otoño

    In de herfst waait het vaak hard.

  • jaarA1

    año

    Ik woon hier al drie jaar.

  • jaarlijksA1

    anualmente

    Er is jaarlijks een buurtfeest.

  • januariA1

    enero

    Mijn cursus begint in januari.

  • juliA1

    julio

    In juli gaan we op vakantie.

  • juniA1

    junio

    In juni beginnen de examens.

  • keerA1

    vez

    Ik ga twee keer per week sporten.

  • klokA1

    reloj

    De klok in de keuken loopt voor.

  • kortA1

    corto

    Het was maar een korte pauze.