Vocabulario
7 palabras · página 1 de 1
schaduwB1
sombra
Ga even in de schaduw zitten.
seizoenB1
estación
De herfst is mijn favoriete seizoen.
seizoensgroenteB1
verdura de temporada
Seizoensgroente is goedkoper en verser.
seizoenswisselingB1
cambio de estación
Bij de seizoenswisseling word ik vaak verkouden.
sneeuwB1
nieve
In Nederland valt weinig sneeuw.
stormB1
tormenta
Door de storm reden er geen treinen.
strandB1
playa
Het strand is een half uur rijden.

