Vocabulario
52 palabras · página 1 de 3
achterdeurA1
puerta trasera
Via de achterdeur kom je in de tuin.
badkamerA1
cuarto de baño
De badkamer is boven.
bedA1
cama
Ik ga vroeg naar bed.
belA1
timbre
De bel doet het niet.
brievenbusA1
buzón
Er zit post in de brievenbus.
buitenlampA1
luz exterior
De buitenlamp gaat automatisch aan.
dekbedA1
edredón
In de winter gebruik ik een dik dekbed.
deurA1
puerta
Doe je de deur even dicht?
doucheA1
ducha
Ik neem 's ochtends een douche.
drempelA1
umbral
Pas op voor de drempel bij de deur.
gangA1
pasillo
Zet je schoenen in de gang.
garageA1
garaje
De fiets staat in de garage.
gootsteenA1
fregadero
De vuile borden staan in de gootsteen.
hekA1
valla, verja
Doe het hek achter je dicht.
kachelA1
estufa
Zet de kachel wat hoger.
kamerA1
habitación
Mijn kamer is niet zo groot.
kastA1
armario
Je jas hangt in de kast.
kelderA1
sótano
De fietsen staan in de kelder.
keukenA1
cocina
De keuken is net schoongemaakt.
koelkastA1
nevera
De melk staat in de koelkast.
kussenA1
almohada, cojín
Dit kussen is te hard.
lakenA1
sábana
De lakens moeten in de was.
lampA1
lámpara
De lamp in de gang is kapot.
lichtA1
luz
Doe het licht even aan.
matrasA1
colchón
Dit matras is te zacht voor mij.

