Vocabulario
94 palabras · página 1 de 4
ademA1
aliento
Haal even diep adem.
afspraakA2
cita
Ik heb een afspraak om half drie.
allergieA2
alergia
Ik heb een allergie voor noten.
ambulanceA2
ambulancia
Bel 112 voor een ambulance.
apotheekA2
farmacia
De apotheek is naast de huisarts.
armA1
brazo
Mijn arm is stijf.
beenA1
pierna
Hij heeft zijn been gebroken.
beterA1
mejor
Ik voel me vandaag al beter.
beterschapA2
que te mejores
Beterschap, hopelijk voel je je snel beter!
bevallingA2
parto
De bevalling verliep zonder problemen.
bezoekuurA2
horario de visitas
Het bezoekuur is van twee tot vier.
blessureA2
lesión
Door een blessure kan hij niet sporten.
bloedA2
sangre
Ze hebben mijn bloed onderzocht.
bloeddrukA2
tensión arterial
De dokter meet eerst uw bloeddruk.
borstA1
pecho
Hij voelt pijn op zijn borst.
buikA1
barriga
Ik heb buikpijn.
buikpijnA2
dolor de barriga
Het kind heeft buikpijn.
dokterA1
médico
Ik ga morgen naar de dokter.
elleboogA1
codo
Ik heb mijn elleboog gestoten.
enkelA1
tobillo
Ik heb mijn enkel verzwikt.
gewondA2
herido
Bij het ongeluk raakte niemand gewond.
gezichtA1
cara
Was je gezicht met koud water.
gezondheidstoestandA2
estado de salud
Zijn gezondheidstoestand is stabiel.
gipsA2
escayola
Zijn arm zit zes weken in het gips.
griepA2
gripe
Half kantoor heeft de griep.

