Vocabulario
48 palabras · página 1 de 2
ademA1
aliento
Haal even diep adem.
armA1
brazo
Mijn arm is stijf.
beenA1
pierna
Hij heeft zijn been gebroken.
beterA1
mejor
Ik voel me vandaag al beter.
borstA1
pecho
Hij voelt pijn op zijn borst.
buikA1
barriga
Ik heb buikpijn.
dokterA1
médico
Ik ga morgen naar de dokter.
elleboogA1
codo
Ik heb mijn elleboog gestoten.
enkelA1
tobillo
Ik heb mijn enkel verzwikt.
gezichtA1
cara
Was je gezicht met koud water.
haarA1
pelo
Zij heeft lang haar.
handA1
mano
Was je handen voor het eten.
hartA1
corazón
Mijn hart klopt snel.
hartslagA1
latido, pulso
Mijn hartslag gaat snel na het sporten.
hersenenA1
cerebro
Slaap is belangrijk voor je hersenen.
heupA1
cadera
Mijn oma heeft een nieuwe heup.
hoofdA1
cabeza
Mijn hoofd doet pijn.
huidA1
piel
Bescherm je huid tegen de zon.
keelA1
garganta
Ik heb pijn in mijn keel.
kinA1
barbilla
Hij stootte zijn kin bij het vallen.
knieA1
rodilla
Mijn knie doet pijn bij het lopen.
lichaamA1
cuerpo
Beweging is goed voor je lichaam.
lipA1
labio
Mijn lippen zijn droog van de kou.
longA1
pulmón
Roken is slecht voor je longen.
maagA1
estómago
Ik heb last van mijn maag.

