Vocabulario
102 palabras · página 2 de 5
gipsA2
escayola
Zijn arm zit zes weken in het gips.
griepA2
gripe
Half kantoor heeft de griep.
griepprikA2
vacuna de la gripe
Ouderen krijgen elk jaar een griepprik.
haarA1
pelo
Zij heeft lang haar.
handA1
mano
Was je handen voor het eten.
hartA1
corazón
Mijn hart klopt snel.
hartslagA1
latido, pulso
Mijn hartslag gaat snel na het sporten.
hersenenA1
cerebro
Slaap is belangrijk voor je hersenen.
herstelA2
recuperación
Beterschap en een goed herstel!
heupA1
cadera
Mijn oma heeft een nieuwe heup.
hoestdrankA2
jarabe para la tos
Neem 's avonds wat hoestdrank.
hoestenA2
toser
Het kind hoest de hele nacht.
hoofdA1
cabeza
Mijn hoofd doet pijn.
hoofdpijnA2
dolor de cabeza
Ik heb de hele dag hoofdpijn.
huidA1
piel
Bescherm je huid tegen de zon.
huisapotheekA2
botiquín doméstico
Zorg voor een goede huisapotheek.
huisartsassistenteA2
auxiliar del médico de cabecera
De huisartsassistente maakt de afspraak.
huisartsenpostA2
servicio de urgencias de atención primaria
's Avonds belt u de huisartsenpost.
keelA1
garganta
Ik heb pijn in mijn keel.
keelpijnA2
dolor de garganta
Ik heb keelpijn en kan slecht slikken.
kinA1
barbilla
Hij stootte zijn kin bij het vallen.
knieA1
rodilla
Mijn knie doet pijn bij het lopen.
koortsA2
fiebre
Het kind heeft koorts.
lichaamA1
cuerpo
Beweging is goed voor je lichaam.
lipA1
labio
Mijn lippen zijn droog van de kou.

