Vocabulario
18 palabras · página 1 de 1
zalfA2
pomada
Smeer deze zalf twee keer per dag op de wond.
ziekA1
enfermo
Ik ben vandaag ziek.
ziekenhuisA2
hospital
Ze ligt sinds gisteren in het ziekenhuis.
ziekenhuisbezoekB1
visita al hospital
Het ziekenhuisbezoek duurde twee uur.
ziekenhuisopnameB1
ingreso hospitalario
Een ziekenhuisopname was niet nodig.
ziekmeldingB1
aviso de baja
Doe je ziekmelding voor negen uur.
ziekteA1
enfermedad
Het is een ziekte die vaak voorkomt.
ziektebeeldB1
cuadro clínico
Dit ziektebeeld komt vaker voor bij ouderen.
ziektekostenB1
gastos médicos
De ziektekosten worden grotendeels vergoed.
ziektekostenvergoedingB1
reembolso de gastos médicos
Vraag na of je ziektekostenvergoeding krijgt.
zorgafspraakB1
cita asistencial
Ik moet mijn zorgafspraak verzetten.
zorgindicatieB1
valoración de necesidad de cuidados
Voor thuiszorg heb je een zorgindicatie nodig.
zorgmedewerkerB1
trabajador asistencial
De zorgmedewerker komt twee keer per dag.
zorgpasB1
tarjeta sanitaria
Neem uw zorgpas mee naar de afspraak.
zorgplanB1
plan de cuidados
In het zorgplan staat wie wat doet.
zorgverlenerB1
profesional sanitario
Bespreek dit met uw zorgverlener.
zwakA1
débil
Na de griep voelde ik me zwak.
zwangerA2
embarazada
Mijn zus is zeven maanden zwanger.

