Vocabulario
7 palabras · página 1 de 1
tandA1
diente
Er is een tand afgebroken.
tandartsA2
dentista
Ik ga twee keer per jaar naar de tandarts.
teenA1
dedo del pie
Ik stootte mijn teen tegen de tafel.
therapieB1
terapia
Hij volgt therapie na het ongeluk.
thermometerA2
termómetro
Meet even met de thermometer.
thuiszorgB1
atención domiciliaria
Mijn vader krijgt thuiszorg twee keer per dag.
tongA1
lengua
Steek uw tong uit, zegt de dokter.

