Vocabulario
144 palabras · página 4 de 6
mesA1
cuchillo
Dit mes is niet scherp.
nagerechtA2
postre
Als nagerecht is er ijs.
nootA1
nuez
Ik ben allergisch voor noten.
olieA2
aceite
Bak het in een beetje olie.
olijfA1
aceituna
Wil je olijven bij de borrel?
ontbijtA2
desayuno
Ik sla het ontbijt nooit over.
ontbijtenA2
desayunar
Wij ontbijten om zeven uur.
opwarmenA2
calentar
Warm het eten even op in de magnetron.
ovenschaalA2
fuente de horno
Doe alles in een ovenschaal.
panA2
olla, sartén
Doe de groente in de pan.
paprikaA1
pimiento
Snijd de paprika in reepjes.
pastaA1
pasta
Vanavond maak ik pasta.
patatA1
patatas fritas
Op vrijdag eten we patat.
peerA1
pera
Deze peer is heel zoet.
peperA1
pimienta
Doe er wat peper op.
pindakaasA1
mantequilla de cacahuete
Pindakaas is populair in Nederland.
pizzaA1
pizza
Vanavond bestellen we pizza.
portieA2
ración
Dat is een grote portie.
preiA1
puerro
Doe wat prei in de soep.
proberenA2
probar
Wil je dit even proberen?
proevenA2
probar (sabor)
Wil je even proeven of het goed is?
receptA2
receta
Dit recept komt van mijn moeder.
restaurantA2
restaurante
We gaan uit eten in een Italiaans restaurant.
restjeA2
sobras
Van de restjes maak ik morgen soep.
rijstA1
arroz
We eten vanavond rijst met groente.

