Vocabulario
144 palabras · página 3 de 6
houdbaarA2
que se conserva
De melk is nog twee dagen houdbaar.
ijsA1
hielo, helado
De kinderen willen een ijsje.
ingrediëntA2
ingrediente
Welke ingrediënten heb je nodig?
jamA1
mermelada
Ik eet brood met jam.
kaasA1
queso
Nederlandse kaas is bekend in de wereld.
kaneelA1
canela
Doe wat kaneel op de appels.
kipA1
pollo
Ik eet liever kip dan rundvlees.
koekA1
galleta
Bij de koffie krijg je een koekje.
koffieA1
café
Zullen we een kopje koffie drinken?
komkommerA1
pepino
Snijd de komkommer in plakjes.
kookboekA2
libro de cocina
Dit recept staat in mijn kookboek.
koolA1
col
In de winter eten we vaak kool.
kopjeA1
taza
Wil je een kopje thee?
koudA1
frío
Het eten is koud geworden.
kruidenA2
hierbas, especias
Doe er wat kruiden bij.
lekkerA2
rico, agradable
Deze soep is heel lekker.
lepelA1
cuchara
Ik eet soep met een lepel.
limonadeA1
refresco
De kinderen krijgen limonade.
literA2
litro
We hebben een liter melk nodig.
lunchA1
almuerzo
De lunch is om half een.
maaltijdA2
comida (plato)
Dit is de belangrijkste maaltijd van de dag.
magnetronA2
microondas
Warm het even op in de magnetron.
marktA2
mercado
Op zaterdag is er markt op het plein.
meelA1
harina
Voor dit recept heb je meel nodig.
melkA1
leche
Wil je melk in je koffie?

