Vocabulario
Filtros1
144 palabras · página 2 de 6
citroenA1
limón
Doe wat citroen in het water.
dieetA2
dieta
Hij volgt een streng dieet.
dorstA1
sed
Heb je dorst?
drankA2
bebida
Wat voor drank wil je erbij?
drinkenA1
beber
Wat wil je drinken?
druifA1
uva
Deze druiven zijn erg zoet.
eetgewoonteA2
hábito alimentario
Mijn eetgewoontes zijn hier veranderd.
eetlustA2
apetito
Door de koorts heb ik geen eetlust.
eiA1
huevo
Ik eet 's ochtends een ei.
erwtA1
guisante
Erwtensoep is een Nederlands wintergerecht.
etenA1
comida
Nederlands eten is soms heel simpel.
flesA1
botella
Er staat een fles wijn op tafel.
flesjeA2
botellita
Neem een flesje water mee.
fruitA2
fruta
Op mijn werk staat er altijd fruit.
gebakA1
pastel
Bij de koffie was er gebak.
gerechtA2
plato
Dit gerecht is een specialiteit hier.
glasA1
vaso
Mag ik een glas water?
gramA2
gramo
Ik heb 500 gram kaas gekocht.
groenteA2
verdura
Eet elke dag genoeg groente.
hagelslagA1
fideos de chocolate
Nederlandse kinderen eten hagelslag op brood.
hamA1
jamón
Ik neem een boterham met ham.
hoeveelheidA2
cantidad
Gebruik een kleine hoeveelheid zout.
hongerA1
hambre
Ik heb honger.
honingA1
miel
Doe wat honing in je thee.
hoofdgerechtA2
plato principal
Het hoofdgerecht was vis met groente.

