Vocabulario
Filtros1
Sección: Emociones
Categorías gramaticales
25 palabras · página 1 de 1
bangA2
asustado
Ik ben bang voor honden.
blijA2
contento
Ik ben blij met het resultaat.
boosA2
enfadado
Hij was boos op zijn collega.
eenzaamA2
solo (solitario)
In het begin voelde hij zich eenzaam.
enthousiastA2
entusiasmado
De klas was enthousiast over het uitje.
geduldigA2
paciente
De docent is heel geduldig.
geïrriteerdA2
irritado
Hij raakte geïrriteerd door het wachten.
gelukkigA2
feliz; afortunadamente
Ze is gelukkig in haar nieuwe baan.
gestrestA2
estresado
Voor het examen was ik erg gestrest.
jaloersA2
celoso, envidioso
Hij is een beetje jaloers op zijn broer.
kwaadA2
enojado
Hij werd kwaad om die opmerking.
moedigA2
valiente
Dat was een moedige beslissing.
nieuwsgierigA2
curioso
Ik ben nieuwsgierig naar het resultaat.
ongeduldigA2
impaciente
Ze wachtte ongeduldig op het antwoord.
ongerustA2
preocupado
Ik was ongerust toen je niet belde.
onrustigA2
inquieto
Ik sliep onrustig voor het examen.
opgeluchtA2
aliviado
Ik was opgelucht toen het voorbij was.
opgewektA2
alegre
Ze is meestal heel opgewekt.
somberA2
sombrío, decaído
In november voel ik me vaak somber.
teleurgesteldA2
decepcionado
Hij was teleurgesteld in het resultaat.
verbaasdA2
sorprendido
Ik was verbaasd over zijn antwoord.
verdrietigA2
triste
Zij was verdrietig na het nieuws.
verlegenA2
tímido
Hij is nogal verlegen bij nieuwe mensen.
vrolijkA2
alegre
Zij is altijd vrolijk op haar werk.
zenuwachtigA2
nervioso
Ik ben zenuwachtig voor het examen.

