Vocabulario
Filtros2
Sección: Emociones
Categorías gramaticales
50 palabras · página 1 de 2
aanvaardenB2
aceptar
Zij aanvaardde de uitslag zonder protest.
aanvoelenB2
intuir
Zij voelde meteen aan dat er iets mis was.
aarzelenB2
vacilar
Hij aarzelde voordat hij antwoordde.
ambiërenB2
ambicionar
Hij ambieert een leidinggevende functie.
belevenB2
vivir (una experiencia)
Iedereen beleeft zo'n dag anders.
benijdenB2
envidiar
Ik benijd haar rust niet weinig.
beogenB2
pretender
De wet beoogt meer duidelijkheid.
berustenB2
resignarse
Uiteindelijk berustte hij in de situatie.
betreurenB2
lamentar
Wij betreuren deze beslissing.
bewonderenB2
admirar
Ik bewonder zijn doorzettingsvermogen.
blozenB2
sonrojarse
Zij bloosde bij het compliment.
doorstaanB2
sobrellevar
Hij heeft een zware periode doorstaan.
ergerenB2
molestarse
Zij ergert zich aan het lawaai.
ervarenB2
experimentar
Veel mensen ervaren het examen als stressvol.
fronsenB2
fruncir el ceño
Zij fronste haar wenkbrauwen.
gapenB2
bostezar
Halverwege de lezing begon hij te gapen.
geruststellenB2
tranquilizar
De arts stelde de ouders gerust.
hatenB2
odiar
Hij haat vergaderingen.
huiverenB2
estremecerse
Bij die gedachte huiver ik.
hunkerenB2
anhelar
Hij hunkert naar rust.
imponerenB2
impresionar
Haar kennis van de stof imponeerde de commissie.
irriterenB2
irritar
Dat geluid irriteert mij mateloos.
knikkenB2
asentir con la cabeza
Hij knikte instemmend.
koesterenB2
atesorar
Zij koestert de herinnering aan die zomer.
kwetsenB2
herir
Die opmerking kwetste haar diep.

