Je EigenRoute
EntrarRegistrarse

Vocabulario

20 palabras · página 1 de 1

  • boosA2

    enfadado

    Hij was boos op zijn collega.

  • eenzaamA2

    solo (solitario)

    In het begin voelde hij zich eenzaam.

  • enthousiastA2

    entusiasmado

    De klas was enthousiast over het uitje.

  • geduldigA2

    paciente

    De docent is heel geduldig.

  • gelukkigA2

    feliz; afortunadamente

    Ze is gelukkig in haar nieuwe baan.

  • gestrestA2

    estresado

    Voor het examen was ik erg gestrest.

  • kwaadA2

    enojado

    Hij werd kwaad om die opmerking.

  • moedigA2

    valiente

    Dat was een moedige beslissing.

  • nieuwsgierigA2

    curioso

    Ik ben nieuwsgierig naar het resultaat.

  • ongeduldigA2

    impaciente

    Ze wachtte ongeduldig op het antwoord.

  • ongerustA2

    preocupado

    Ik was ongerust toen je niet belde.

  • onrustigA2

    inquieto

    Ik sliep onrustig voor het examen.

  • opgeluchtA2

    aliviado

    Ik was opgelucht toen het voorbij was.

  • opgewektA2

    alegre

    Ze is meestal heel opgewekt.

  • teleurgesteldA2

    decepcionado

    Hij was teleurgesteld in het resultaat.

  • verbaasdA2

    sorprendido

    Ik was verbaasd over zijn antwoord.

  • verdrietigA2

    triste

    Zij was verdrietig na het nieuws.

  • verlegenA2

    tímido

    Hij is nogal verlegen bij nieuwe mensen.

  • vrolijkA2

    alegre

    Zij is altijd vrolijk op haar werk.

  • zenuwachtigA2

    nervioso

    Ik ben zenuwachtig voor het examen.