Vocabulario
Filtros1
Sección: Emociones
Categorías gramaticales
334 palabras · página 8 de 14
ongerustA2
preocupado
Ik was ongerust toen je niet belde.
onmachtB2
impotencia
Hij voelde onmacht tegenover de bureaucratie.
onrustB2
inquietud
Het bericht zorgde voor onrust onder bewoners.
onrustigA2
inquieto
Ik sliep onrustig voor het examen.
ontdaanB2
consternado
Na het ongeluk was hij helemaal ontdaan.
ontevredenB2
insatisfecho
Veel bewoners zijn ontevreden over het besluit.
ontevredenheidB2
descontento
De ontevredenheid onder het personeel groeit.
ontgoochelingB2
desilusión
De uitslag was een grote ontgoocheling.
onthechtingB2
desapego
Hij sprak met een zekere onthechting over het verleden.
ontmoedigendB2
desalentador
Zo veel fouten is ontmoedigend.
ontroerenB2
conmover
Het verhaal ontroerde de hele zaal.
ontroerendB2
conmovedor
Het was een ontroerend afscheid.
ontroeringB2
emoción, conmoción
Zijn woorden wekten ontroering bij het publiek.
ontzagB2
respeto reverencial
Hij had ontzag voor haar kennis.
ontzettingB2
consternación
Het nieuws werd met ontzetting ontvangen.
onverschilligB2
indiferente
Hij reageerde onverschillig op het nieuws.
onverschilligheidB2
indiferencia
Zijn onverschilligheid stoorde iedereen.
onzekerB2
inseguro
In het begin voelde ze zich onzeker.
onzekerheidB2
inseguridad
Zijn onzekerheid verdween na een paar weken.
opbeurenB2
animar
Een kaartje kan iemand echt opbeuren.
openhartigheidB2
franqueza
Zijn openhartigheid verraste iedereen.
opgeluchtA2
aliviado
Ik was opgelucht toen het voorbij was.
opgetogenB2
encantado
Zij was opgetogen over het nieuws.
opgevenB2
rendirse
Na drie pogingen gaf hij het op.
opgewektA2
alegre
Ze is meestal heel opgewekt.

