Vocabulario
Filtros3
Sección: Emociones
Categorías gramaticales
18 palabras · página 1 de 1
saamhorigheidB2
cohesión, unión
Na de ramp groeide de saamhorigheid in het dorp.
sarcasmeB2
sarcasmo
Het sarcasme droop van zijn opmerking af.
schaamteB2
vergüenza
Hij voelde schaamte over zijn fout.
schaterlachB2
carcajada
Er ging een schaterlach door de zaal.
schrikB2
susto
Van de schrik liet zij het glas vallen.
schroomB2
reparo, timidez
Zij sprak zonder schroom over haar fouten.
schuldbewustB2
con aire culpable
Hij keek schuldbewust naar de grond.
schuldgevoelB2
sentimiento de culpa
Hij had een schuldgevoel over zijn beslissing.
somberA2
sombrío, decaído
In november voel ik me vaak somber.
somberheidB2
abatimiento
De somberheid verdween met het voorjaar.
spanningB2
tensión
Er hing spanning in de kamer.
spijtB2
arrepentimiento
Ik heb spijt van die opmerking.
spijtgevoelB2
sensación de arrepentimiento
Achteraf hield hij een spijtgevoel over.
spontaniteitB2
espontaneidad
Zijn spontaniteit maakt hem geliefd.
spotB2
burla
Hij dreef de spot met zijn eigen fouten.
sprakeloosB2
sin palabras
Het nieuws maakte ons sprakeloos.
stemmingB2
ambiente, humor
De stemming in de zaal sloeg om.
stemmingswisselingB2
cambio de humor
Stemmingswisselingen horen bij de puberteit.

