Vocabulario
Filtros3
Sección: Emociones
Categorías gramaticales
28 palabras · página 1 de 2
onbehagenB2
malestar
Er heerst een gevoel van onbehagen onder de bevolking.
onbeleefdheidB2
descortesía
Zulke onbeleefdheid accepteren wij niet.
onbetrouwbaarheidB2
falta de fiabilidad
De onbetrouwbaarheid van die bron is bekend.
onenigheidB2
desacuerdo
Er ontstond onenigheid over de aanpak.
ongeduldB2
impaciencia
Hij wachtte vol ongeduld op het antwoord.
ongeduldigheidB2
impaciencia
Zijn ongeduldigheid viel iedereen op.
ongemakB2
incomodidad
Zijn opmerking veroorzaakte enig ongemak.
ongemakkelijkheidB2
incomodidad
Er hing een zekere ongemakkelijkheid in de kamer.
onmachtB2
impotencia
Hij voelde onmacht tegenover de bureaucratie.
onrustB2
inquietud
Het bericht zorgde voor onrust onder bewoners.
ontdaanB2
consternado
Na het ongeluk was hij helemaal ontdaan.
ontevredenheidB2
descontento
De ontevredenheid onder het personeel groeit.
ontgoochelingB2
desilusión
De uitslag was een grote ontgoocheling.
onthechtingB2
desapego
Hij sprak met een zekere onthechting over het verleden.
ontroerendB2
conmovedor
Het was een ontroerend afscheid.
ontroeringB2
emoción, conmoción
Zijn woorden wekten ontroering bij het publiek.
ontzagB2
respeto reverencial
Hij had ontzag voor haar kennis.
ontzettingB2
consternación
Het nieuws werd met ontzetting ontvangen.
onverschilligheidB2
indiferencia
Zijn onverschilligheid stoorde iedereen.
onzekerB2
inseguro
In het begin voelde ze zich onzeker.
onzekerheidB2
inseguridad
Zijn onzekerheid verdween na een paar weken.
openhartigheidB2
franqueza
Zijn openhartigheid verraste iedereen.
opgewektheidB2
jovialidad
Haar opgewektheid werkt aanstekelijk.
opluchtingB2
alivio
Tot mijn opluchting was alles in orde.
opluchtingsgevoelB2
sensación de alivio
Na de uitslag overheerste een opluchtingsgevoel.

