Vocabulario
Filtros3
Sección: Emociones
TodasComunicaciónVida cotidianaEducaciónEmocionesFamiliaComidaTiempo libreSaludViviendaMediosDineroNaturaleza y medio ambienteComprasSociedadTiempoTransporteTrabajo
Categorías gramaticales
12 palabras · página 1 de 1
onbewogenB2
impasible
Hij bleef onbewogen onder de kritiek.
ongeduldigA2
impaciente
Ze wachtte ongeduldig op het antwoord.
ongerustA2
preocupado
Ik was ongerust toen je niet belde.
onrustigA2
inquieto
Ik sliep onrustig voor het examen.
ontevredenB2
insatisfecho
Veel bewoners zijn ontevreden over het besluit.
ontmoedigendB2
desalentador
Zo veel fouten is ontmoedigend.
onverschilligB2
indiferente
Hij reageerde onverschillig op het nieuws.
opgeluchtA2
aliviado
Ik was opgelucht toen het voorbij was.
opgetogenB2
encantado
Zij was opgetogen over het nieuws.
opgewektA2
alegre
Ze is meestal heel opgewekt.
opgewondenB2
excitado
De kinderen waren opgewonden over de reis.
overweldigdB2
abrumado
Zij was overweldigd door alle reacties.

