Je EigenRoute
EntrarRegistrarse

Vocabulario

25 palabras · página 1 de 1

  • aantonenB2

    demostrar

    Het onderzoek toont aan dat de aanpak werkt.

  • afleidenB2

    deducir

    Uit de tekst kun je afleiden dat hij twijfelt.

  • afstuderenB2

    graduarse

    Zij hoopt in juni af te studeren.

  • analyserenB2

    analizar

    Analyseer de grafiek in drie zinnen.

  • begrijpenB1

    entender

    Ik begrijp de vraag niet helemaal.

  • beoordelenB2

    calificar

    De docent beoordeelt het werk anoniem.

  • deelnemenB1

    participar

    Iedereen kan aan de cursus deelnemen.

  • doublerenB2

    repetir el curso

    Hij moest de derde klas doubleren.

  • evaluerenB2

    evaluar

    Aan het eind evalueren we het project.

  • inschrijvenB1

    inscribirse

    Je kunt je online inschrijven voor de cursus.

  • interpreterenB2

    interpretar

    Deze zin is op twee manieren te interpreteren.

  • motiverenB1

    motivar

    De docent weet studenten goed te motiveren.

  • oefenenB1

    practicar

    Je moet elke dag oefenen.

  • onderscheidenB2

    distinguir

    Onderscheid feiten van meningen.

  • ordenenB2

    ordenar

    Orden de gegevens per jaar.

  • promoverenB2

    doctorarse

    Hij is vorig jaar gepromoveerd.

  • rangschikkenB2

    clasificar por orden

    Rangschik de zinnen in de juiste volgorde.

  • slagenB1

    aprobar

    Zij is voor het examen geslaagd.

  • spijbelenB2

    hacer novillos

    Hij spijbelde twee weken lang.

  • studerenB1

    estudiar

    Ik studeer elke avond twee uur.

  • toepassenB2

    aplicar

    Pas de regel toe op deze zin.

  • vergelijkenB2

    comparar

    Vergelijk beide teksten met elkaar.

  • verwerkenB1

    asimilar, procesar

    Je moet de stof eerst goed verwerken.

  • zakkenB1

    suspender

    Hij is helaas gezakt voor het examen.

  • zittenblijvenB2

    repetir curso

    Zittenblijven helpt niet altijd.