Vocabulario
15 palabras · página 1 de 1
alleenA1
solo; solamente
Ik woon alleen.
binnenA1
dentro
Kom binnen, het is koud buiten.
bovenA1
arriba
De slaapkamers zijn boven.
daarA1
allí
Daar staat mijn fiets.
dichtbijA1
cerca
De school is heel dichtbij.
dusA1
así que
Het is laat, dus ik ga naar huis.
ergA1
muy; grave
Dat is erg vervelend.
evenA1
un momento
Wacht even, ik kom eraan.
genoegA1
suficiente
Er is genoeg eten voor iedereen.
graagA1
con gusto
Ik drink graag koffie.
heelA1
muy; entero
Het is heel warm vandaag.
hierA1
aquí
Ik woon hier al drie jaar.
lieverA1
preferiblemente
Ik drink liever thee.
linksA1
izquierda
Sla bij de kerk links af.
rechtsA1
derecha
De supermarkt is rechts van het station.

