Vocabulario
29 palabras · página 1 de 2
anderA1
otro
Heb je een andere maat?
belangrijkA1
importante
Dit is een belangrijke brief.
bezetA1
ocupado
Deze plaats is bezet.
geelA1
amarillo
De bloemen in de tuin zijn geel.
gelijkA1
razón; igual
Je hebt gelijk.
groenA1
verde
Het licht is groen, je mag gaan.
halfA1
medio
Het is half acht.
handigA1
práctico
Dat is een handige app.
hardA1
duro; fuerte
Het bed is te hard.
hoogA1
alto
Dat gebouw is heel hoog.
jongA1
joven
Zij is nog heel jong.
kleinA1
pequeño
Mijn kamer is klein maar gezellig.
langzaamA1
lento
Kunt u wat langzamer praten?
leegA1
vacío
Mijn glas is leeg.
lelijkA1
feo
Dat gebouw vind ik lelijk.
leukA1
agradable, divertido
Dat was een leuke avond.
makkelijkA1
fácil
Deze oefening is makkelijk.
moeilijkA1
difícil
Nederlands is soms moeilijk.
mooiA1
bonito
Wat een mooie foto!
nieuwA1
nuevo
Ik heb een nieuwe telefoon.
openA1
abierto
De winkel is nog open.
paarsA1
morado
De bloemen in de tuin zijn paars.
rijkA1
rico
Zij komt uit een rijke familie.
rondA1
redondo
De tafel is rond.
snelA1
rápido
Hij loopt heel snel.

