Vocabulario
Filtros2
Sección: Vida cotidiana
TodasComunicaciónVida cotidianaEducaciónEmocionesFamiliaComidaTiempo libreSaludViviendaMediosDineroNaturaleza y medio ambienteComprasSociedadTiempoTransporteTrabajo
Categorías gramaticales
166 palabras · página 7 de 7
voorwaardeA2
condición
Lees eerst de voorwaarden.
vrijA1
libre
Is deze stoel vrij?
vroegerA2
antes
Vroeger woonde ik in een dorp.
vrouwA1
mujer
De vrouw leest een boek.
wachtwoordA2
contraseña
Ik ben mijn wachtwoord vergeten.
waterA1
agua
Drink veel water op een warme dag.
wegA1
camino, carretera
Deze weg gaat naar het centrum.
welkomA1
bienvenido
Welkom bij ons thuis!
wereldA1
mundo
Nederlandse kaas is bekend in de hele wereld.
werkA1
trabajo
Ik ga om acht uur naar mijn werk.
woordA1
palabra
Ik ken dit woord nog niet.
zachtA1
blando, suave
Dit kussen is lekker zacht.
zakA1
bolsillo; bolsa
Mijn sleutels zitten in mijn zak.
zeepA1
jabón
Was je handen met zeep.
zekerA2
seguro
Weet je dat zeker?
zelfA1
mismo
Dat heb ik zelf gemaakt.

