Vocabulario
305 palabras · página 5 de 13
honderdA1
cien
Dat kost ongeveer honderd euro.
hoogA1
alto
Dat gebouw is heel hoog.
hopenA1
esperar (desear)
Ik hoop dat het lukt.
horenA1
oír
Ik hoor je niet goed.
horlogeA1
reloj de pulsera
Mijn horloge loopt achter.
houdenA1
sostener; gustar (van)
Ik houd van koffie.
huilenA1
llorar
De baby huilt de hele nacht.
huisA1
casa
Ik woon in een klein huis.
iedereA1
cada
Iedere maandag heb ik les.
iedereenA1
todos
Iedereen is welkom.
iemandA1
alguien
Er staat iemand voor de deur.
ietsA1
algo
Wil je iets drinken?
inA1
en
Het zit in de kast.
jasA1
abrigo
Doe je jas aan, het is koud.
jongA1
joven
Zij is nog heel jong.
jurkA1
vestido
Ze kocht een nieuwe jurk voor het feest.
kaarsA1
vela
Op tafel brandt een kaars.
kaartA1
tarjeta; mapa
Ik stuur haar een kaart voor haar verjaardag.
kamA1
peine
Mag ik je kam even lenen?
kansA1
oportunidad
Dit is een mooie kans voor jou.
kennenA1
conocer
Ken je die man?
kerkA1
iglesia
De kerk staat op het plein.
kindA1
niño
Het kind speelt in de tuin.
kleinA1
pequeño
Mijn kamer is klein maar gezellig.
klerenA1
ropa
Ik koop nieuwe kleren.

