Vocabulario
473 palabras · página 13 de 19
plaatsA1
sitio, lugar
Is deze plaats vrij?
planA2
plan
Wat is het plan voor morgen?
pleinA1
plaza
Op het plein is elke week markt.
plotselingA2
de repente
Plotseling begon het te regenen.
poetsenA1
cepillar, limpiar
Poets je tanden twee keer per dag.
portemonneeA1
cartera
Mijn portemonnee zit in mijn tas.
postzegelA1
sello
Je hebt een postzegel nodig voor deze brief.
pratenA1
hablar, charlar
We praten straks verder.
preciesA2
exactamente
Wat bedoel je precies?
printenA2
imprimir
Kun je dit formulier even printen?
probleemA2
problema
We hebben een klein probleem.
radenA1
adivinar
Raad eens wie ik zag!
rechtsA1
derecha
De supermarkt is rechts van het station.
redenA2
razón
Wat is de reden van je verhuizing?
regelenA2
gestionar, organizar
Ik regel het morgen wel.
regelmatigA2
con regularidad
Ik sport regelmatig.
reizenA1
viajar
Ik reis elke dag met de trein.
rekenenA2
calcular
Ik moet even rekenen hoeveel het kost.
rennenA1
correr
De kinderen rennen door de tuin.
rijkA1
rico
Zij komt uit een rijke familie.
roepenA1
llamar, gritar
Roep me als je klaar bent.
rommelA1
desorden
Wat een rommel in deze kamer!
rondA1
redondo
De tafel is rond.
roodA1
rojo
Ze draagt een rode jas.
rozeA1
rosa
Zij draagt een roze jurk.

