Vocabulario
305 palabras · página 1 de 13
aanA1
en, a
De foto hangt aan de muur.
achtA1
ocho
Ik begin om acht uur.
achterA1
detrás
De tuin ligt achter het huis.
adresA1
dirección
Schrijf hier je adres op.
allebeiA1
ambos
Wij werken allebei fulltime.
alleenA1
solo; solamente
Ik woon alleen.
allemaalA1
todos
We gaan allemaal mee.
allesA1
todo
Alles is klaar.
alsA1
si, cuando
Als het regent, blijven we binnen.
alsjeblieftA1
por favor; aquí tienes
Hier is je koffie, alsjeblieft.
anderA1
otro
Heb je een andere maat?
apartA1
por separado
We betalen apart.
autoA1
coche
Onze auto staat voor de deur.
batterijA1
pila
De batterij is leeg.
belangrijkA1
importante
Dit is een belangrijke brief.
bezemA1
escoba
Pak even de bezem.
bezetA1
ocupado
Deze plaats is bezet.
bijA1
en casa de, cerca de
Ik ben bij de dokter.
binnenA1
dentro
Kom binnen, het is koud buiten.
blauwA1
azul
De lucht is vandaag blauw.
boekA1
libro
Ik lees elke avond een boek.
bovenA1
arriba
De slaapkamers zijn boven.
breedA1
ancho
Dit is een brede straat.
briefA1
carta
Ik heb een brief van de gemeente gekregen.
brilA1
gafas
Zonder bril zie ik niets.

