Vocabulario
Filtros2
Sección: Vida cotidiana
Categorías gramaticales
22 palabras · página 1 de 1
zachtA1
blando, suave
Dit kussen is lekker zacht.
zakA1
bolsillo; bolsa
Mijn sleutels zitten in mijn zak.
zeepA1
jabón
Was je handen met zeep.
zeggenA1
decir
Wat zei je?
zekerA2
seguro
Weet je dat zeker?
zeldenA2
raramente
Ik ga zelden naar de bioscoop.
zelfA1
mismo
Dat heb ik zelf gemaakt.
zesA1
seis
We eten om zes uur.
zestigA1
sesenta
Mijn vader is zestig geworden.
zettenA1
poner (de pie)
Zet de stoel bij het raam.
zevenA1
siete
Een week heeft zeven dagen.
zeventigA1
setenta
Buiten de bebouwde kom mag je zeventig.
zienA1
ver
Ik zie je morgen.
zijnA1
ser, estar
Ik ben blij dat je er bent.
zingenA2
cantar
Op verjaardagen zingen we een lied.
zittenA1
estar sentado
Zij zit op de bank.
zoA1
así
Doe het zo.
zoekenA2
buscar
Ik zoek mijn sleutels.
zonderA1
sin
Koffie zonder suiker, alstublieft.
zorgenA2
encargarse; cuidar
Ik zorg dat het op tijd klaar is.
zullenA1
ir a (futuro)
Zullen we koffie drinken?
zwartA1
negro
Hij heeft zwarte schoenen aan.

