Vocabulario
23 palabras · página 1 de 1
halfA1
medio
Het is half acht.
halloA1
hola
Hallo, hoe gaat het?
handdoekA1
toalla
De handdoek hangt in de badkamer.
handigA1
práctico
Dat is een handige app.
hardA1
duro; fuerte
Het bed is te hard.
hebbenA1
tener
Wij hebben twee kinderen.
heelA1
muy; entero
Het is heel warm vandaag.
helftA1
la mitad
De helft van de klas was ziek.
hetenA1
llamarse
Hoe heet jij?
hierA1
aquí
Ik woon hier al drie jaar.
hoeA1
cómo
Hoe gaat het met je?
hoekA1
esquina
De bakker zit om de hoek.
hoelangA1
cuánto tiempo
Hoelang woon je al in Nederland?
hoeveelA1
cuánto
Hoeveel kost dit?
hoiA1
hola
Hoi, hoe is het?
honderdA1
cien
Dat kost ongeveer honderd euro.
hoogA1
alto
Dat gebouw is heel hoog.
hopenA1
esperar (desear)
Ik hoop dat het lukt.
horenA1
oír
Ik hoor je niet goed.
horlogeA1
reloj de pulsera
Mijn horloge loopt achter.
houdenA1
sostener; gustar (van)
Ik houd van koffie.
huilenA1
llorar
De baby huilt de hele nacht.
huisA1
casa
Ik woon in een klein huis.

