Je EigenRoute
EntrarRegistrarse

Vocabulario

21 palabras · página 1 de 1

  • aanA1

    en, a

    De foto hangt aan de muur.

  • aanbiedenA2

    ofrecer

    Zij bood aan om te helpen.

  • aankomenA2

    llegar

    Wij komen om acht uur aan.

  • aanpassenA2

    adaptar(se)

    Je moet je aanpassen aan de nieuwe regels.

  • aanrakenA2

    tocar

    Raak de hete pan niet aan.

  • aantalA2

    cantidad

    Het aantal deelnemers groeit.

  • achtA1

    ocho

    Ik begin om acht uur.

  • achterA1

    detrás

    De tuin ligt achter het huis.

  • adresA1

    dirección

    Schrijf hier je adres op.

  • afvalA2

    basura

    Het afval wordt op dinsdag opgehaald.

  • agendaA2

    agenda

    Ik zet de afspraak in mijn agenda.

  • allebeiA1

    ambos

    Wij werken allebei fulltime.

  • alleenA1

    solo; solamente

    Ik woon alleen.

  • allemaalA1

    todos

    We gaan allemaal mee.

  • allesA1

    todo

    Alles is klaar.

  • alsA1

    si, cuando

    Als het regent, blijven we binnen.

  • alsjeblieftA1

    por favor; aquí tienes

    Hier is je koffie, alsjeblieft.

  • anderA1

    otro

    Heb je een andere maat?

  • antwoordenA2

    responder

    Hij antwoordde niet op mijn vraag.

  • apartA1

    por separado

    We betalen apart.

  • autoA1

    coche

    Onze auto staat voor de deur.