Vocabulario
Filtros2
Sección: Comunicación
Categorías gramaticales
73 palabras · página 1 de 3
aandringenB1
insistir
Hij bleef aandringen op een antwoord.
aanhalenB2
citar
De auteur haalt meerdere onderzoeken aan.
aankondigenB2
anunciar
De gemeente kondigde nieuwe regels aan.
aanradenB1
recomendar
Ik raad je aan om vroeg te komen.
aansprekenB1
dirigirse a, llamar la atención
Ik durfde hem er niet op aan te spreken.
aanvullenB1
completar, añadir
Wil iemand dat nog aanvullen?
adviserenB2
aconsejar
Ik adviseer je eerst te bellen.
afsprekenB1
quedar, acordar
Zullen we iets afspreken voor vrijdag?
afwijzenB1
rechazar, denegar
Mijn aanvraag is afgewezen.
bedoelenB1
querer decir
Wat bedoel je precies?
bekritiserenB2
criticar
De pers bekritiseerde het besluit scherp.
belovenB1
prometer
Hij beloofde het morgen af te maken.
bemiddelenB2
mediar
Een collega bemiddelde in het conflict.
benaderenB1
dirigirse a
U kunt ons per e-mail benaderen.
benadrukkenB2
subrayar
Zij benadrukte het belang van goede afspraken.
besprekenB1
discutir
Dat bespreken we morgen in de vergadering.
bestrijdenB2
rebatir
Hij bestrijdt die conclusie met cijfers.
betogenB2
argumentar
De auteur betoogt dat het anders moet.
bevestigenB1
confirmar
Kunt u de afspraak per mail bevestigen?
bewerenB2
afirmar
Hij beweert dat hij niets wist.
concluderenB2
concluir
Daaruit kunnen we concluderen dat het beleid werkt.
constaterenB2
constatar
De arts constateerde een lichte ontsteking.
doorgevenB1
transmitir
Kun je dat aan je collega doorgeven?
doorschakelenB2
pasar la llamada
Ik schakel u door naar mijn collega.
doorverbindenB1
pasar la llamada
Ik verbind u door met de juiste afdeling.

