المفردات
18 كلمة · صفحة 1 من 1
gaanA1شاذّ
ging · gingen · zijn gegaan
يذهب
Ik ga morgen naar Amsterdam.
gamenA2
gamede · hebben gegamed
يلعب ألعاب الفيديو
Mijn broer gamet elke avond tot laat.
gapenB2
gaapte · hebben gegaapt
يتثاءب
Halverwege de lezing begon hij te gapen.
gebeurenA1
gebeurde · zijn gebeurd
يحدث
Wat is er gebeurd?
gebruikenA1
gebruikte · hebben gebruikt
يستخدم
Mag ik je telefoon even gebruiken?
zich gedragenB1انعكاسيشاذّ
gedroeg · gedroegen · hebben gedragen
يتصرّف
De kinderen gedroegen zich keurig op het feest.
geldenA2شاذّ
gold · golden · hebben gegolden
يسري، ينطبق
Deze regel geldt voor iedereen.
gelovenA1
geloofde · hebben geloofd
يصدّق
Ik geloof je wel.
generaliserenB2
generaliseerde · hebben gegeneraliseerd
يعمّم
Je kunt dat niet zomaar generaliseren.
genezenA2شاذّ
genas · genazen · hebben/zijn genezen
يشفى، يُشفي
De wond is goed genezen.
genietenA1شاذّ
genoot · genoten · hebben genoten
يستمتع
Ik geniet van het rustige weekend.
geruststellenB2قابل للانفصال
stelde gerust · hebben gerustgesteld
يطمئن
De arts stelde de ouders gerust.
getuigenB2
getuigde · hebben getuigd
يشهد
Twee buren getuigden in de rechtszaak tegen hem.
gevenA1شاذّ
gaf · gaven · hebben gegeven
يعطي
Geef mij het zout, alsjeblieft.
gooienA2
gooide · hebben gegooid
يقذف، يرمي
Gooi het papier in de blauwe container.
grijpenB2شاذّ
greep · grepen · hebben gegrepen
يمسك بسرعة
Hij greep snel zijn tas en rende naar de bus.
groeienA2
groeide · zijn gegroeid
ينمو
De tomaten groeien goed in de warme kas.
groetenA2
groette · hebben gegroet
يُحيّي
Groet je buren als je ze tegenkomt.

