المفردات
11 كلمة · صفحة 1 من 1
afdingenB2
يساوم
Op een markt mag je afdingen.
aflossenB1
يسدد
We lossen de lening in tien jaar af.
betalenA2
يدفع
Kan ik met pin betalen?
investerenB2
يستثمر
De overheid investeert in nieuwe woningen.
lenenA2
يستعير، يقرض
Kan ik tien euro van je lenen?
overboekenB1
يحوّل مبلغا
Ik heb het bedrag gisteren overgeboekt.
pinnenA2
يدفع بالبطاقة
Kan ik hier pinnen?
sparenA2
يدخر
We sparen voor een nieuwe auto.
terugbetalenA2
يعيد المبلغ
Ik betaal je volgende week terug.
uitgevenA2
ينفق
Ik geef te veel geld uit aan eten.
wisselenA2
يصرف (نقودا)
Kunt u dit briefje van vijftig wisselen?

