المفردات
7 كلمة · صفحة 1 من 1
radenA1
يخمّن
Raad eens wie ik zag!
regelenA2
يرتب، ينظم
Ik regel het morgen wel.
reizenA1
يسافر
Ik reis elke dag met de trein.
rekenenA2
يحسب
Ik moet even rekenen hoeveel het kost.
rennenA1
يركض
De kinderen rennen door de tuin.
roepenA1
ينادي
Roep me als je klaar bent.
ruikenA2
يشم
Het ruikt hier lekker.

