Словарь
425 слов · страница 8 из 17
lachenA1
смеяться
We hebben veel gelachen.
langskomenA2
заходить, заглядывать
Kom je vanavond even langs?
latenA2
позволять; отдавать (в ремонт)
Ik laat mijn fiets repareren.
leggenA1
класть
Leg het boek op tafel.
lenenA2
одалживать
Kan ik tien euro van je lenen?
lerenA2
учить(ся)
Ik leer nu een jaar Nederlands.
lezenA2
читать
Lees de tekst nog een keer.
liefhebbenB2
любить
Zij had haar vak oprecht lief.
liggenA1
лежать, находиться
Het boek ligt op tafel.
lijkenA1
казаться
Het lijkt me een goed idee.
likenB2
лайкать
Duizenden mensen likten de foto.
lopenA1
ходить пешком
Ik loop elke dag naar mijn werk.
luisterenA2
слушать
Luister goed naar de vraag.
lukkenA2
удаваться
Het is me gelukt!
mailenA2
отправлять по почте (эл.)
Ik mail je de documenten vanavond.
makenA1
делать, изготавливать
Ik maak het eten klaar.
marinerenB2
мариновать
Marineer de kip een nacht.
meedelenB1
сообщать (официально)
Wij delen u mee dat de afspraak verzet is.
meedoenA2
участвовать
Doe je mee met de cursus?
meemakenA2
переживать, испытывать
Ik heb veel meegemaakt dit jaar.
meenemenA2
брать с собой
Neem je paspoort mee.
meldenB1
сообщать, уведомлять
U moet een verhuizing melden bij de gemeente.
merkenA2
замечать
Ik merk dat het beter gaat.
metselenB2
класть кирпич
Hij leerde metselen op de vakschool.
missenA2
пропустить; скучать
Ik heb de bus gemist.

