Словарь
425 слов · страница 12 из 17
remmenB1
тормозить
Bij regen moet je eerder remmen.
rennenA1
бегать
De kinderen rennen door de tuin.
reorganiserenB2
реорганизовать
De afdeling wordt volgend jaar gereorganiseerd.
reserverenB1
бронировать
Je moet vooraf een plaats reserveren.
retournerenA2
возвращать (товар)
Je kunt het binnen 14 dagen retourneren.
rijdenA2
ехать, водить
Hij rijdt elke dag naar zijn werk.
roepenA1
звать, кричать
Roep me als je klaar bent.
roerenA2
помешивать
Blijf roeren tot de saus dik wordt.
rokenB1
курить
Roken is hier niet toegestaan.
roosterenB2
поджаривать
Rooster de noten even in de pan.
ruikenA2
пахнуть, нюхать
Het ruikt hier lekker.
ruilenA2
обменять
Kan ik deze jas ruilen?
samenlevenB1
сосуществовать, жить вместе
Samenleven met verschillende culturen vraagt inzet.
samenvattenB2
кратко излагать
Kun je het kort samenvatten?
samenwerkenB1
сотрудничать
We moeten beter samenwerken.
samenwonenB2
жить вместе
Zij gaan volgend jaar samenwonen.
schaatsenB2
катание на коньках
Bij vorst gaat iedereen schaatsen.
scheidenA1
разводиться
Mijn ouders zijn gescheiden.
schoonmakenA2
убирать
Op zaterdag maak ik het huis schoon.
schrijvenA2
писать
Schrijf je naam op het formulier.
slagenB1
сдать (экзамен)
Zij is voor het examen geslaagd.
slapenA2
спать
Ik heb slecht geslapen.
slikkenB2
сглатывать
Zij slikte even voordat ze antwoordde.
sluitenA1
закрывать
De deur sluit automatisch.
snijdenA2
резать
Snijd de groente in kleine stukjes.

