Je EigenRoute
ВходРегистрация

Словарь

43 слов · страница 1 из 2

  • vallenA1

    падать

    Pas op, je valt bijna.

  • vaststellenB2

    констатировать, устанавливать

    Wij stellen vast dat er niets is veranderd.

  • verachtenB2

    презирать

    Hij veracht elke vorm van oneerlijkheid.

  • verafschuwenB2

    питать отвращение

    Hij verafschuwt elke vorm van geweld.

  • veranderenA2

    менять(ся)

    Er is veel veranderd dit jaar.

  • verantwoordenB1

    обосновывать, отчитываться

    Je moet je keuzes kunnen verantwoorden.

  • verbazenB2

    удивлять

    Zijn reactie verbaasde iedereen.

  • verbeterenA2

    улучшать(ся)

    Mijn Nederlands is dit jaar verbeterd.

  • verbiedenA2

    запрещать

    Roken is in het gebouw verboden.

  • verblekenB2

    бледнеть

    Hij verbleekte toen hij het hoorde.

  • verdienenA2

    зарабатывать

    Hoeveel verdien je per uur?

  • verduidelijkenB2

    уточнять, разъяснять

    Kunt u dat punt verduidelijken?

  • verduurzamenB2

    делать экологичнее

    De gemeente wil oude woningen verduurzamen.

  • vergelijkenB2

    сравнивать

    Vergelijk beide teksten met elkaar.

  • vergetenA2

    забывать

    Ik ben mijn telefoon vergeten.

  • vergevenB2

    прощать

    Zij heeft het hem nooit vergeven.

  • verheugenB2

    радоваться заранее

    Wij verheugen ons op uw komst.

  • verhuizenA2

    переезжать

    We verhuizen volgende maand naar Rotterdam.

  • verkopenA1

    продавать

    Ze verkopen hier verse groente.

  • vermijdenA2

    избегать

    Probeer de spits te vermijden.

  • veronderstellenB2

    предполагать

    We veronderstellen dat de cijfers kloppen.

  • verplaatsenA2

    переносить

    Kunnen we de afspraak verplaatsen?

  • verspreidenB2

    распространять

    Het bericht werd snel verspreid.

  • versturenA2

    отправлять

    Verstuur het formulier voor vrijdag.

  • vertellenA1

    рассказывать

    Vertel eens, hoe was je dag?