Словарь
363 слов · страница 3 из 15
schoolreisB2
школьная экскурсия
De schoolreis gaat dit jaar naar een museum.
schooltijdA2
школьное время
Na schooltijd gaan de kinderen naar de opvang.
schooluitvalB2
отсев из школы
De gemeente wil de schooluitval terugdringen.
schoolvakantieA2
школьные каникулы
In de schoolvakantie zijn de lessen vrij.
schoonA1
чистый
De keuken is weer schoon.
schoondochterA1
невестка
Onze schoondochter komt uit Spanje.
schoonmaakbedrijfB2
клининговая компания
Het schoonmaakbedrijf werkt voor drie scholen.
schoonmaakmiddelA2
чистящее средство
Dit schoonmaakmiddel werkt goed op tegels.
schoonmakerB2
уборщик
De schoonmaker komt na sluitingstijd.
schoonmoederA1
свекровь, тёща
Mijn schoonmoeder komt zondag eten.
schoonvaderA1
свёкор, тесть
Mijn schoonvader helpt vaak in de tuin.
schoonzoonA1
зять
Haar schoonzoon werkt in de bouw.
schoonzusA1
невестка, золовка
Mijn schoonzus komt uit Italië.
schoorsteenA1
дымоход
Uit de schoorsteen komt rook.
schouderA1
плечо
Mijn schouder doet pijn.
schouwburgB2
городской театр
De schouwburg staat aan het plein.
schriftA2
тетрадь
Schrijf de nieuwe woorden in je schrift.
schriftelijkB1
письменный
Het examen bestaat uit een schriftelijk deel.
schrijfconventieB2
письменная конвенция
Formele brieven volgen vaste schrijfconventies.
schrijfopdrachtB2
задание на письмо
De schrijfopdracht vraagt om een formele brief.
schrijfstijlB1
стиль письма
Zijn schrijfstijl is helder en kort.
schrijftaalB1
письменная речь
Schrijftaal is formeler dan spreektaal.
schrijfvaardigheidB1
навык письма
Schrijfvaardigheid oefen je door veel te schrijven.
schrikB2
испуг
Van de schrik liet zij het glas vallen.
schroevendraaierB2
отвёртка
Ik zoek een kleinere schroevendraaier.

