Je EigenRoute
ВходРегистрация

Словарь

363 слов · страница 1 из 15

  • saamhorigheidB2

    сплочённость

    Na de ramp groeide de saamhorigheid in het dorp.

  • saladeA1

    салат

    Bij het vlees eten we salade.

  • salarisA2

    зарплата

    Het salaris wordt aan het einde van de maand betaald.

  • salarisonderhandelingB2

    переговоры о зарплате

    De salarisonderhandeling leverde niets op.

  • salarisschaalA2

    тарифная сетка

    Ik zit in salarisschaal 7.

  • salarisstrookA2

    расчётный лист

    Bewaar je salarisstrook goed.

  • saldoB1

    баланс, остаток

    Mijn saldo is bijna nul.

  • samenhangB2

    взаимосвязь, связность

    De samenhang tussen beide factoren is onduidelijk.

  • samenlevingB2

    общество

    De samenleving verandert snel.

  • samenlevingsopbouwB2

    построение общества

    Samenlevingsopbouw kost tijd en aandacht.

  • samenlevingsvormB2

    форма совместной жизни

    Er bestaan tegenwoordig veel samenlevingsvormen.

  • samenspraakB2

    совместное обсуждение

    Het plan is in samenspraak met bewoners gemaakt.

  • samenstellingB2

    сложное слово

    'Boekenkast' is een samenstelling.

  • samenvattingB1

    краткое изложение

    Schrijf een korte samenvatting van de tekst.

  • samenwerkingB1

    сотрудничество

    De samenwerking tussen de afdelingen verloopt goed.

  • sanctieB2

    санкция

    De sancties treffen vooral de export.

  • saneringsplanB2

    план рекультивации

    Het saneringsplan is goedgekeurd.

  • sapA1

    сок

    Een glas sap, alstublieft.

  • sarcasmeB2

    сарказм

    Het sarcasme droop van zijn opmerking af.

  • satellietB2

    спутник

    De satelliet meet de temperatuur van de oceaan.

  • sausA1

    соус

    Wil je saus bij de patat?

  • savanneB2

    саванна

    Op de savanne wisselen droge en natte seizoenen elkaar af.

  • scanB2

    томография, скан

    De scan liet niets bijzonders zien.

  • scenarioB2

    сценарий

    Het scenario werd vijf keer herschreven.

  • schaamteB2

    стыд

    Hij voelde schaamte over zijn fout.