Je EigenRoute
ВходРегистрация

Словарь

22 слов · страница 1 из 1

  • dansenA2

    танцевать

    Op het feest werd er gedanst.

  • deelnemenB1

    участвовать

    Iedereen kan aan de cursus deelnemen.

  • delegerenB1

    делегировать

    Een goede leidinggevende kan delegeren.

  • delenA1

    делить(ся)

    We delen de kosten samen.

  • denkenA1

    думать

    Ik denk dat het goed komt.

  • doenA1

    делать

    Wat doe je in het weekend?

  • doorgevenB1

    передавать

    Kun je dat aan je collega doorgeven?

  • doorgroeienB2

    расти по карьерной лестнице

    Binnen dit bedrijf kun je snel doorgroeien.

  • doorschakelenB2

    переключать (звонок)

    Ik schakel u door naar mijn collega.

  • doorstaanB2

    выдержать, перенести

    Hij heeft een zware periode doorstaan.

  • doorverbindenB1

    соединять (по телефону)

    Ik verbind u door met de juiste afdeling.

  • doorverwijzenB1

    направлять (к специалисту)

    De huisarts verwees mij door naar het ziekenhuis.

  • doorvragenB2

    задавать уточняющие вопросы

    Door goed door te vragen kwam de waarheid boven.

  • doublerenB2

    дублировать класс

    Hij moest de derde klas doubleren.

  • downloadenA2

    скачивать

    Download de app op je telefoon.

  • dragenA1

    носить

    Hij draagt een zwarte jas.

  • dreigenB2

    угрожать

    Hij dreigde met een rechtszaak.

  • drinkenA1

    пить

    Wat wil je drinken?

  • dromenA1

    видеть сны, мечтать

    Ik droomde vannacht over mijn familie.

  • durenA2

    длиться

    Hoe lang duurt de les?

  • durvenA1

    осмеливаться

    Ik durf het niet te vragen.

  • dweilenA2

    мыть пол

    De vloer moet nog gedweild worden.