Словарь
34 слов · страница 2 из 2
afrekenenA2
расплатиться
Ik ga even afrekenen.
afsprekenB1
договариваться
Zullen we iets afspreken voor vrijdag?
afstuderenB2
оканчивать вуз
Zij hoopt in juni af te studeren.
afwassenA2
мыть посуду
Wie wast er vanavond af?
afwijzenB1
отклонять
Mijn aanvraag is afgewezen.
ambiërenB2
притязать на, стремиться к
Hij ambieert een leidinggevende functie.
analyserenB2
анализировать
Analyseer de grafiek in drie zinnen.
antwoordenA2
отвечать
Hij antwoordde niet op mijn vraag.
automatiserenB2
автоматизировать
Veel administratief werk is geautomatiseerd.

