Woordenschat
Filters1
Onderwerpen
73 woorden · pagina 1 van 3
alA1
already
Ben je er nu al?
alleenA1
alone; only
Ik woon alleen.
allerminstB2
not at all
Dat is allerminst zeker.
altijdA1
always
Hij komt altijd te laat.
bijnaA2
almost
Ik ben bijna klaar.
bijvoorbeeldA2
for example
Neem bijvoorbeeld de bus van acht uur.
binnenA1
inside; within
Kom binnen, het is koud buiten.
bovenA1
above, upstairs
De slaapkamers zijn boven.
bovendienA2
moreover
Het is duur en bovendien ver weg.
buitenB1
outside
De kinderen spelen buiten.
daarA1
there
Daar staat mijn fiets.
daarentegenB2
on the other hand
Hij werkt langzaam; zij daarentegen is heel snel.
daarnaA2
after that
Eerst eten we, daarna gaan we wandelen.
derhalveB2
therefore (formal)
De termijn is verstreken; het verzoek wordt derhalve afgewezen.
dichtbijA1
nearby
De school is heel dichtbij.
dusA1
so, therefore
Het is laat, dus ik ga naar huis.
echterB2
however
Het plan is goed; het is echter te duur.
eergisterenA1
the day before yesterday
Eergisteren was ik bij de dokter.
eigenlijkA2
actually
Eigenlijk vind ik het geen goed idee.
ergA1
very; bad
Dat is erg vervelend.
ergensA2
somewhere
Mijn sleutels liggen hier ergens.
evenA1
just, for a moment
Wacht even, ik kom eraan.
genoegA1
enough
Er is genoeg eten voor iedereen.
gisterenA1
yesterday
Gisteren was ik ziek.
graagA1
gladly, like to
Ik drink graag koffie.

