Woordenschat
198 woorden · pagina 6 van 8
rennenA1
to run
De kinderen rennen door de tuin.
retournerenA2
to return (goods)
Je kunt het binnen 14 dagen retourneren.
rijdenA2
to drive, to ride
Hij rijdt elke dag naar zijn werk.
roepenA1
to call, to shout
Roep me als je klaar bent.
roerenA2
to stir
Blijf roeren tot de saus dik wordt.
ruikenA2
to smell
Het ruikt hier lekker.
ruilenA2
to exchange
Kan ik deze jas ruilen?
scheidenA1
to divorce
Mijn ouders zijn gescheiden.
schoonmakenA2
to clean
Op zaterdag maak ik het huis schoon.
schrijvenA2
to write
Schrijf je naam op het formulier.
slapenA2
to sleep
Ik heb slecht geslapen.
sluitenA1
to close
De deur sluit automatisch.
snijdenA2
to cut
Snijd de groente in kleine stukjes.
sparenA2
to save (money)
We sparen voor een nieuwe auto.
spelenA1
to play
De kinderen spelen in de tuin.
sprekenA2
to speak
Spreekt u Nederlands?
springenA1
to jump
Hij sprong over de sloot.
staanA1
to stand
De auto staat voor het huis.
stofzuigenA2
to vacuum
Ik stofzuig één keer per week.
stoppenA2
to stop
Hij is gestopt met roken.
sturenA1
to send
Ik stuur je vanavond een bericht.
tekenenA2
to draw
Mijn dochter tekent graag.
tellenA1
to count
Kun je tot tien tellen in het Nederlands?
terugbetalenA2
to pay back
Ik betaal je volgende week terug.
terugkomenA2
to come back
Hij komt volgende week terug.

