Woordenschat
Filters1
Onderwerpen
1493 woorden · pagina 41 van 60
schriftelijkB1
written
Het examen bestaat uit een schriftelijk deel.
schrijfstijlB1
writing style
Zijn schrijfstijl is helder en kort.
schrijftaalB1
written language
Schrijftaal is formeler dan spreektaal.
schrijfvaardigheidB1
writing skill
Schrijfvaardigheid oefen je door veel te schrijven.
schuldA2
debt
Hij heeft schulden bij de bank.
schuldeiserB1
creditor
De schuldeiser wil een betalingsregeling.
schuurA1
shed
De fietsen staan in de schuur.
secondeA1
second
Wacht één seconde.
seizoenB1
season
De herfst is mijn favoriete seizoen.
seizoensgroenteB1
seasonal vegetables
Seizoensgroente is goedkoper en verser.
seizoenswisselingB1
change of seasons
Bij de seizoenswisseling word ik vaak verkouden.
septemberA1
September
De school begint weer in september.
servetA2
napkin
Er liggen servetten op tafel.
servicekostenA2
service charges
De servicekosten komen boven op de huur.
shirtA1
shirt
Hij draagt een wit shirt.
sinaasappelA1
orange
Ik pers elke ochtend een sinaasappel.
situatieA2
situation
Leg de situatie even uit.
slaA1
lettuce
Er ligt sla in de koelkast.
slaapA1
sleep
Ik heb te weinig slaap gehad.
slaapgebrekA2
lack of sleep
Door slaapgebrek kan ik me slecht concentreren.
slaapkamerA1
bedroom
Wij hebben twee slaapkamers.
slagerA2
butcher
Bij de slager is het vlees beter.
slechtA1
bad
Het weer is vandaag slecht.
sleutelA2
key
Ik ben mijn sleutel kwijt.
sleutelbosA1
bunch of keys
Mijn sleutelbos ligt op de kast.

