Woordenschat
1230 woorden · pagina 36 van 50
sleutelA2
key
Ik ben mijn sleutel kwijt.
sleutelbosA1
bunch of keys
Mijn sleutelbos ligt op de kast.
sluitenA1
to close
De deur sluit automatisch.
smaakA2
taste, flavour
De smaak is een beetje zoet.
snackA2
snack
Neem een gezonde snack mee.
snelA1
fast
Hij loopt heel snel.
snelwegA2
motorway
Op de snelweg mag je honderd.
snijdenA2
to cut
Snijd de groente in kleine stukjes.
snijplankA2
cutting board
Snijd de groente op de snijplank.
snoepA1
sweets, candy
Kinderen eten te veel snoep.
soepA1
soup
De soep is nog te heet.
sokA1
sock
Ik kan mijn sokken niet vinden.
sollicitatieA2
job application
Mijn sollicitatie is afgewezen.
sollicitatiegesprekA2
job interview
Ik heb morgen een sollicitatiegesprek.
somberA2
gloomy, low
In november voel ik me vaak somber.
sommigeA1
some
Sommige winkels zijn zondag open.
somsA1
sometimes
Soms neem ik de bus.
sorryA1
sorry
Sorry, ik ben te laat.
spaargeldA2
savings
We gebruiken ons spaargeld voor de verbouwing.
spaarpotA2
piggy bank
De kinderen sparen in een spaarpot.
sparenA2
to save (money)
We sparen voor een nieuwe auto.
spelenA1
to play
De kinderen spelen in de tuin.
spiegelA1
mirror
Er hangt een spiegel in de gang.
spierA1
muscle
Na het sporten doen mijn spieren pijn.
spinazieA1
spinach
Spinazie zit vol ijzer.

