Woordenschat
Filters1
Onderwerpen
277 woorden · pagina 3 van 12
doenA1
to do
Wat doe je in het weekend?
doorgevenB1
to pass on
Kun je dat aan je collega doorgeven?
doorverbindenB1
to put through (a call)
Ik verbind u door met de juiste afdeling.
doorverwijzenB1
to refer on
De huisarts verwees mij door naar het ziekenhuis.
downloadenA2
to download
Download de app op je telefoon.
dragenA1
to wear; to carry
Hij draagt een zwarte jas.
drinkenA1
to drink
Wat wil je drinken?
dromenA1
to dream
Ik droomde vannacht over mijn familie.
durenA2
to last, to take (time)
Hoe lang duurt de les?
durvenA1
to dare
Ik durf het niet te vragen.
dweilenA2
to mop
De vloer moet nog gedweild worden.
feliciterenB1
to congratulate
Ik wil je feliciteren met je nieuwe baan.
fietsenA1
to cycle
Ik fiets elke dag naar school.
fotograferenB1
to photograph
Zij fotografeert graag oude gebouwen.
functionerenB1
to perform, to function
Hij functioneert goed in het team.
gaanA1
to go
Ik ga morgen naar Amsterdam.
gebeurenA2
to happen
Wat is er gebeurd?
gebruikenA2
to use
Mag ik je telefoon even gebruiken?
geldenA2
to apply, to be valid
Deze regel geldt voor iedereen.
gelovenA1
to believe
Ik geloof je wel.
genezenA2
to heal, to cure
De wond is goed genezen.
genietenB1
to enjoy
Ik geniet van het rustige weekend.
gevenA1
to give
Geef mij het zout, alsjeblieft.
groetenA2
to greet
Groet je buren als je ze tegenkomt.
halenA2
to fetch, to get
Ik haal even brood.

