Je EigenRoute
InloggenRegistreren

Woordenschat

283 woorden · pagina 3 van 12

  • dweilenA2

    dweilde · hebben gedweild

    to mop

    De vloer moet nog gedweild worden.

  • eisenA2

    eiste · hebben geëist

    to demand

    De bond eist een hoger loon.


    de eisen

    requirements, demands (plural of eis)

    De school stelt hoge eisen aan het schrijven.

  • erkennenA2

    erkende · hebben erkend

    to acknowledge

    De minister erkende de fout.

  • eruitzienA2scheidbaaronregelmatig

    zag eruit · zagen eruit · hebben eruitgezien

    to look (like), to appear

    Weet jij hoe de nieuwe buurman eruitziet?

  • ervarenA2onregelmatig

    ervoer · ervoeren · hebben ervaren

    to experience

    Veel mensen ervaren het examen als stressvol.

  • etenA1onregelmatig

    at · aten · hebben gegeten

    to eat

    Wij eten meestal om zes uur.


    het eten

    food

    Nederlands eten is soms heel simpel.

  • fietsenA1

    fietste · hebben/zijn gefietst

    to cycle

    Ik fiets elke dag naar school.

  • gaanA1onregelmatig

    ging · gingen · zijn gegaan

    to go

    Ik ga morgen naar Amsterdam.

  • gamenA2

    gamede · hebben gegamed

    to game, to play video games

    Mijn broer gamet elke avond tot laat.

  • gebeurenA1

    gebeurde · zijn gebeurd

    to happen

    Wat is er gebeurd?

  • gebruikenA1

    gebruikte · hebben gebruikt

    to use

    Mag ik je telefoon even gebruiken?

  • geldenA2onregelmatig

    gold · golden · hebben gegolden

    to apply, to be valid

    Deze regel geldt voor iedereen.

  • gelovenA1

    geloofde · hebben geloofd

    to believe

    Ik geloof je wel.

  • genezenA2onregelmatig

    genas · genazen · hebben/zijn genezen

    to heal, to cure

    De wond is goed genezen.

  • genietenA1onregelmatig

    genoot · genoten · hebben genoten

    to enjoy

    Ik geniet van het rustige weekend.

  • gevenA1onregelmatig

    gaf · gaven · hebben gegeven

    to give

    Geef mij het zout, alsjeblieft.

  • gooienA2

    gooide · hebben gegooid

    to throw

    Gooi het papier in de blauwe container.

  • groeienA2

    groeide · zijn gegroeid

    to grow

    De tomaten groeien goed in de warme kas.

  • groetenA2

    groette · hebben gegroet

    to greet

    Groet je buren als je ze tegenkomt.

  • halenA1

    haalde · hebben gehaald

    to fetch, to get

    Ik haal even brood.

  • hangenA2onregelmatig

    hing · hingen · hebben gehangen

    to hang

    Er hangt een grote klok aan de muur.

  • hatenA1

    haatte · hebben gehaat

    to hate

    Hij haat vergaderingen.

  • hebbenA1onregelmatig

    had · hadden · hebben gehad

    to have

    Wij hebben twee kinderen.


    (perfect auxiliary: have/has)

    Ik heb de brief gisteren al geschreven.

  • helpenA1onregelmatig

    hielp · hielpen · hebben geholpen

    to help

    Kun je me even helpen?

  • zich herinnerenA2wederkerend

    herinnerde · hebben herinnerd

    to remember

    Ik herinner me haar naam niet meer.