Woordenschat
Filters
612 woorden · pagina 24 van 25
witA1
white
De muren zijn wit geverfd.
woensdagA1
Wednesday
Woensdag zijn de kinderen vrij.
wondA1
wound
Maak de wond eerst schoon.
wonenA1
to live, to reside
Wij wonen in Utrecht.
woonkamerA1
living room
De woonkamer is het grootst.
woordA1
word
Ik ken dit woord nog niet.
worstA1
sausage
Bij de slager kocht ik worst.
wortelA1
carrot
Doe de wortels in de soep.
yoghurtA1
yoghurt
Ik eet yoghurt bij het ontbijt.
zachtA1
soft
Dit kussen is lekker zacht.
zakA1
pocket; bag
Mijn sleutels zitten in mijn zak.
zaterdagA1
Saturday
Op zaterdag doe ik boodschappen.
zeepA1
soap
Was je handen met zeep.
zeggenA1
to say
Wat zei je?
zelfA1
self, oneself
Dat heb ik zelf gemaakt.
zesA1
six
We eten om zes uur.
zestigA1
sixty
Mijn vader is zestig geworden.
zettenA1
to put, to place upright
Zet de stoel bij het raam.
zevenA1
seven
Een week heeft zeven dagen.
zeventigA1
seventy
Buiten de bebouwde kom mag je zeventig.
ziekA1
ill
Ik ben vandaag ziek.
ziekteA1
illness, disease
Het is een ziekte die vaak voorkomt.
zienA1
to see
Ik zie je morgen.
zijnA1
to be
Ik ben blij dat je er bent.
zittenA1
to sit
Zij zit op de bank.

