Woordenschat
Filters1
Onderwerpen
1493 woorden · pagina 23 van 60
jamA1
jam
Ik eet brood met jam.
januariA1
January
Mijn cursus begint in januari.
jasA1
coat
Doe je jas aan, het is koud.
jongenA1
boy
Die jongen is mijn zoon.
jubileumB1
anniversary, jubilee
De vereniging viert haar vijftigjarig jubileum.
juliA1
July
In juli gaan we op vakantie.
juniA1
June
In juni beginnen de examens.
jurkA1
dress
Ze kocht een nieuwe jurk voor het feest.
kaarsA1
candle
Op tafel brandt een kaars.
kaartA1
card; map
Ik stuur haar een kaart voor haar verjaardag.
kaartjeA2
ticket
Ik heb mijn kaartje al gekocht.
kaasA1
cheese
Nederlandse kaas is bekend in de wereld.
kachelA1
heater, stove
Zet de kachel wat hoger.
kamA1
comb
Mag ik je kam even lenen?
kamerA1
room
Mijn kamer is niet zo groot.
kaneelA1
cinnamon
Doe wat kaneel op de appels.
kansA1
chance, opportunity
Dit is een mooie kans voor jou.
kantoorA2
office
Ons kantoor is vlak bij het station.
kantoorurenA2
office hours
Bel tijdens kantooruren.
kassaA2
checkout
Bij de kassa is een lange rij.
kassamedewerkerA2
checkout assistant
De kassamedewerker was heel vriendelijk.
kastA1
cupboard, wardrobe
Je jas hangt in de kast.
keelA1
throat
Ik heb pijn in mijn keel.
keelpijnA2
sore throat
Ik heb keelpijn en kan slecht slikken.
keerA1
time (occurrence)
Ik ga twee keer per week sporten.

