Je EigenRoute
InloggenRegistreren

Woordenschat

634 woorden · pagina 2 van 26

  • afbouwenB2scheidbaar

    bouwde af · hebben afgebouwd

    to scale down

    Hij bouwt zijn uren langzaam af.

  • afdingenB2scheidbaaronregelmatig

    dong af · dongen af · hebben afgedongen

    to haggle

    Op een markt mag je afdingen.

  • afleidenB2scheidbaar

    leidde af · hebben afgeleid

    to infer

    Uit de tekst kun je afleiden dat hij twijfelt.

  • aflopenB1scheidbaaronregelmatig

    liep af · liepen af · zijn afgelopen

    to end, to expire

    Mijn paspoort gaat volgende maand aflopen.

  • aflossenB1scheidbaar

    loste af · hebben afgelost

    to pay off

    We lossen de lening in tien jaar af.

  • zich afmeldenB1scheidbaarwederkerend

    meldde af · hebben afgemeld

    to cancel one's registration

    Vergeet niet je af te melden als je niet komt.

  • afrekenenA2scheidbaar

    rekende af · hebben afgerekend

    to pay (at the till)

    Ik ga even afrekenen.

  • afsluitenB1scheidbaaronregelmatig

    sloot af · sloten af · hebben afgesloten

    to conclude (a contract); to close off; to lock

    Wij hebben een nieuwe zorgverzekering afgesloten.

  • afsprekenB1scheidbaaronregelmatig

    sprak af · spraken af · hebben afgesproken

    to arrange, to agree

    Zullen we iets afspreken voor vrijdag?

  • afstuderenB2scheidbaar

    studeerde af · zijn afgestudeerd

    to graduate

    Zij hoopt in juni af te studeren.

  • zich afvragenB1scheidbaarwederkerendonregelmatig

    vroeg af · vroegen af · hebben afgevraagd

    to wonder

    Ik vraag me af of dat wel klopt.

  • afwassenA2scheidbaaronregelmatig

    waste af · wasten af · hebben afgewassen

    to do the dishes

    Wie wast er vanavond af?

  • afwijzenB1scheidbaaronregelmatig

    wees af · wezen af · hebben afgewezen

    to reject

    Mijn aanvraag is afgewezen.

  • afzeggenA2scheidbaaronregelmatig

    zei af · zeiden af · hebben afgezegd

    to cancel (an appointment)

    Ik moet de afspraak bij de tandarts afzeggen.

  • ambiërenB2

    ambieerde · hebben geambieerd

    to aspire to

    Hij ambieert een leidinggevende functie.

  • analyserenB2

    analyseerde · hebben geanalyseerd

    to analyse

    Analyseer de grafiek in drie zinnen.

  • antwoordenA2

    antwoordde · hebben geantwoord

    to answer

    Hij antwoordde niet op mijn vraag.

  • appenA2

    appte · hebben geappt

    to message (by chat app)

    Ik app je zodra ik op het station ben.

  • arresterenB2

    arresteerde · hebben gearresteerd

    to arrest

    De politie heeft twee verdachten gearresteerd.

  • automatiserenB2

    automatiseerde · hebben geautomatiseerd

    to automate

    Veel administratief werk is geautomatiseerd.

  • bakkenA2onregelmatig

    bakte · bakten · hebben gebakken

    to fry, to bake

    Ik bak een ei voor het ontbijt.

  • baserenB2

    baseerde · hebben gebaseerd

    to base (on)

    Het advies is gebaseerd op de toetsen van dit jaar.

  • beantwoordenB1

    beantwoordde · hebben beantwoord

    to answer (a question, letter)

    Beantwoord de vragen in hele zinnen.

  • bedankenA1

    bedankte · hebben bedankt

    to thank

    Ik wil je bedanken voor je hulp.

  • bedenkenA2onregelmatig

    bedacht · bedachten · hebben bedacht

    to think up, to come up with

    Wie heeft dit plan bedacht?


    zich bedenkenwederkerend

    to change one's mind

    Hij wilde eerst mee, maar bedacht zich.