Je EigenRoute
InloggenRegistreren

Woordenschat

283 woorden · pagina 2 van 12

  • bestellenA2

    bestelde · hebben besteld

    to order

    Zullen we pizza bestellen?

  • betalenA1

    betaalde · hebben betaald

    to pay

    Kan ik met pin betalen?

  • betekenenA1

    betekende · hebben betekend

    to mean

    Wat betekent dit woord?

  • bewarenA2

    bewaarde · hebben bewaard

    to keep, to store

    Bewaar deze brief goed.

  • bewerenA2

    beweerde · hebben beweerd

    to claim, to assert

    Hij beweert dat hij niets wist.

  • bezoekenA2onregelmatig

    bezocht · bezochten · hebben bezocht

    to visit

    We bezoeken zondag mijn ouders.

  • bezorgenA2

    bezorgde · hebben bezorgd

    to deliver

    Ze bezorgen het pakket morgen.

  • blijvenA1onregelmatig

    bleef · bleven · zijn gebleven

    to stay

    Blijf je vanavond eten?

  • bouwenA2

    bouwde · hebben gebouwd

    to build

    Hier gaan ze honderd nieuwe woningen bouwen.

  • brekenA2onregelmatig

    brak · braken · hebben/zijn gebroken

    to break

    Ze is gevallen en heeft haar arm gebroken.

  • brengenA1onregelmatig

    bracht · brachten · hebben gebracht

    to bring, to take

    Ik breng de kinderen naar school.

  • controlerenA2

    controleerde · hebben gecontroleerd

    to check

    Controleer je gegevens voordat je verstuurt.

  • dansenA2

    danste · hebben gedanst

    to dance

    Op het feest werd er gedanst.

  • delenA1

    deelde · hebben gedeeld

    to share, to divide

    We delen de kosten samen.

  • denkenA1onregelmatig

    dacht · dachten · hebben gedacht

    to think

    Ik denk dat het goed komt.

  • doenA1onregelmatig

    deed · deden · hebben gedaan

    to do

    Wat doe je in het weekend?

  • downloadenA2

    downloadde · hebben gedownload

    to download

    Download de app op je telefoon.

  • draaienA2

    draaide · hebben gedraaid

    to turn, to spin

    Draai de sleutel twee keer om in het slot.

  • dragenA1onregelmatig

    droeg · droegen · hebben gedragen

    to wear; to carry

    Hij draagt een zwarte jas.

  • dreigenA2

    dreigde · hebben gedreigd

    to threaten

    Hij dreigde met een rechtszaak.

  • drinkenA1onregelmatig

    dronk · dronken · hebben gedronken

    to drink

    Wat wil je drinken?

  • drogenA2

    droogde · hebben/zijn gedroogd

    to dry

    Ik hang de was buiten om te drogen.

  • dromenA1

    droomde · hebben gedroomd

    to dream

    Ik droomde vannacht over mijn familie.

  • durenA2

    duurde · hebben geduurd

    to last, to take (time)

    Hoe lang duurt de les?

  • durvenA1

    durfde · hebben gedurfd

    to dare

    Ik durf het niet te vragen.